vrijdag, februari 15, 2013

Recensie Dolhuis Awater

In de nieuwste Awater schreef Bouke Vlierhuis een recensie over Dolhuis. Dit artikel wordt met toestemming van de auteur geplaatst.

Lucas Hirsch is gek op taalspelletjes en intertekstuele verwijzingen. Hij citeert Spinoza bij wijze van inleiding. Tegelijkertijd laat hij zich achterop Dolhuis. Natura naturata, zoals zijn derde bundel is gedoopt, afbeelden met ruige baard, geschoren hoofd, tatoeages en bokshandschoenen en staan zijn gedichten vol met seks en geweld. Zou het kunnen dat Hirsch er met dit wat onorthodoxe mengsel in slaagt om zowel de liefhebbers van doorwrochte taalpoëzie af te stoten als degenen die meer houden van het persoonlijk getinte ‘klats, boem’ van bijvoorbeeld Daniël Dee?
Dat in zijn derde bundel ook nog eens heel geëngageerde poëzie staat (Prins Bernhard, Jorge Zorreguieta, de CIA, de Nederlandse regering en graaiende bankiers moeten het onder andere ontgelden) maakt het nog moeilijker om hem in een hokje te stoppen.

De goede smaak zal Hirsch in ieder geval worst wezen. Laten we ‘Nr. 19’ (de gedichten zijn in vijf reeksen ingedeeld en vervolgens alleen nog genummerd) eens bekijken:

Heb je die film Schindler’s List gezien?
Die met die Joden
Dat is echt gebeurd
Kanker!


Smakeloos? Ja. Maar tegelijkertijd een reële weergave van hoe jongeren over dit soort dingen praten. De volgende strofe voelt als een readymade, maar de lezer wordt in de droog-ironische val van de strofe erna gelokt:

Veel kennis over oude ambachten
is in de loop der tijd verloren gegaan

Wist u bijvoorbeeld dat u van bloembollen soep kan koken?
Dat u van menselijk vet zeep kunt fabriceren?


Dan volgt, in zo’n typische hakkelende Hirsch-zin, een anekdote over een Chinese heerser die een rechter laat villen. Dan weer een persoonlijke, lyrische en zelfs wat oubollige overpeinzing:

Ik draag een jas van huid en als ik droom
dan droom ik dat ik droom


Om te eindigen met een sneer naar niet alleen het poëtisch establishment, maar ook de hele burgerlijke schijnheiligheid rondom de holocaust en de oorlog:

Als ik wil glimlachen dan denk ik aan een regel
uit een gedicht van Erik Jan Harmens waarin hij zegt dat hij
als hij wil huilen aan een trein vol joden denkt

Dikke gek

Het springt van de hak op de tak, het bestaat uit bij elkaar gegooide elementen die samen geacht worden het verhaal te vertellen. En dat geldt niet alleen voor dit gedicht, maar voor de hele bundel. Hirsch maakt ons duidelijk dat hij een verhaal te vertellen heeft, maar het verhaal heeft zo veel facetten en doodlopende lijnen dat we er af en toe behoorlijk naar moeten zoeken.

Het ligt er bij Hirsch stilistisch allemaal nogal dik bovenop. Maar kijk eens om je heen: hoe ziet de wereld eruit? Waar je maar kijkt zie je knipperende lichten en hoor je blètende luidsprekers. Alles krijst en gilt en dreint om onze aandacht met slogans, felle kleuren en seks, seks, seks. Hoe moet een dichter daarop reageren? Je terugtrekken in je studeerkamer? Of, zoals bijvoorbeeld Jacob Groot dat doet, de schreeuwmaatschappij in je gedichten proberen te stileren en tot kunst te maken?

Dat kan allemaal hele goede poëzie opleveren. Maar Hirsch probeert als dichter de stap te zetten de buitenwereld ín. Hij wil geen herkauwer zijn, geen commentator, maar deelnemer. Dat ligt aan de basis van zijn engagement.

Heeft Hirsch de goede toon gevonden voor zijn boodschap? Zeker niet overal. Dolhuis is een verre van volmaakte bundel en dat zit hem er grotendeels in dat het allemaal een beetje veel van het goede is. Teveel stout doen en stoere praat.
Tegelijkertijd is dit ook een van de dapperste bundels die ik in tijden gelezen heb. Hirsch steekt zijn nek uit door in weinig artistieke taal zijn mening te geven over de actualiteit en de politiek, iets waar de meeste dichters zich angstvallig verre van houden. Alleen daarom al verdient Dolhuis onze aandacht.