donderdag, april 26, 2012

USA Tour - De Volkskrant

(Neal Cassady & Jack Kerouac of toch John Schoorl & Erik Jan Harmens? - Pittsburgh, april 2012)

Wow hangt in de lucht

De Volkskrant, dinsdag 22 april 2012

Door John Schoorl

Ik sta in het spotlicht in het hoofdkwartier van het Amerikaanse poëziewezen in New York en ik kan de Hudson zien stromen. Ik zie door het raam het New Jersey van the Sopranos en Bruce Springsteen aan de overkant van het water liggen, en bijna het vrijheidsbeeld. Achter het gebouw wordt de Freedom Tower gebouwd. Ik ben net aangekondigd door Wayne Miller, een professor uit Kansas, die een bloemlezing heeft samengesteld over nieuwe Europese poëzie en als hoofdredacteur van literair tijdschrift Pleiades een Holland-special gaat maken. Bij de ingang van de Poets House, zoals dit hoofdkwartier van het Amerikaanse poëziewezen heet, hangt een bord met de mededeling dat er niet meer dan 393 mensen mogen worden toegelaten, anders wordt het bar gevaarlijk. Ik kijk de zaal in en zie geen gevaar: er zitten twaalf mensen. Een meisje met een slordig kapsel en een Beatles-shirt loopt weg, - de teller staat opeens op elf - een oudere man begint te gapen. Zet je schrap, dat is wat ik denk, denk aan jazzcats die in halflege café’s spelen omdat ze moeten spelen. Blazen moet je, en niet tobben.
Boven mijn gedicht staat Blind Bier, waar ik nu Blind Beer van maak, en leg uit dat het bier is waar geen leven meer in zit, en dat het een eerbetoon is aan mijn overleden vader, bierhandelaar/cafébaas in ruste. Er wordt geklapt voor mijn vader – en de poëzie. Het meisje met het Beatles-shirt is weer binnen. Ik denk aan mijn vader, en aan zijn kennis van het Amerikaanse poëziewezen – wat hij niet had. Over zijn opleidingsniveau had hij altijd een vast statement: ‘Ik moest van de lagere school af, omdat ik me niet wilde scheren.’
Ik lees langzaam luidkeels voor en kijk af en toe de zaal in, naar mensen die zo zou later blijken, allemaal een echte reden hadden om te komen, die hier kwamen om echt te luisteren. Zoals die dichter met de goatie die nog in Nederland had voorgedragen, en de vrouw die met haar man in Amsterdam had gewoond waar hij zijn schilderijen hadden geëxposeerd. Een moeder met een puberende gothic- dochter die zelf alleen over de dood wil dichten. De cultureel attaché van de Nederlandse ambassade, samen met zijn dichtende vrouw. Een ouwe verslaggever met een zuurkoolbaard die zich later tot me zou wenden met de vraag of de Volkskrant nog een prachtig geschreven profiel nodig heeft van een Palestijnse dichter met een missie. Een onbewogen meisje van een Frans literair tijdschrift die achteraf Erik Jan Harmens contracteerde, net als later een Amerikaanse literair agent zou doen. En dan is er nog Betty Neals die zomaar in de zaal zit, een zwarte oudere vrouw met zachte ogen, een jazzy stem. Ze maakt zich bekend als de vrouw die voor de legendarische jazzmuzikant Roland Rashaan Kirk in de seventies de poëzie schreef van Theme for the Eulipions, die ze op plaat ook zelf voordroeg – Wikipedia zegt: ja, een echte jazzpoetry-legend.
How did I get there? The Talking Heads zongen het, in Once in a Lifetime. Hoe in hemelsnaam ben ik hier terecht terechtgekomen, hier op deze plek? En is het nog niet gedaan, met deze performance in het hoofdkwartier van het Amerikaanse poëziewezen want hierna komt Pittsburgh met vele optredens passend binnen het Dutch Festival, en een gig in the Netherlands Club in New York en gaan we nog naar het Ledig House, een kunstenaarskolonie in de bossen. Lucas Hirsch – hij deed het en bedacht het. Deze voormalige skater met zijn armen vol tattoo’s en een Greenwich Villagefolkie-pet op, dichter, Amerikanist en bankmedewerker, vond dat het weer eens tijd worden. Dertig jaar geleden stapte een gezelschap Nederlandse dichters, zoals Simon Vinkenoog, Jules Deelder en Hans Plomp, al blowend op het vliegtuig naar Amerika voor een tour. En hij had de cultureel attaché Ferdinand Dorsman, de vorig jaar in een vliegtuig overleden poëziefanaat, mee.
Kleine Revoluties, zo heet de stichting van Hirsch en Jessica Kroskinski. Dingen doen en bedenken die eigenlijk onmogelijk lijken, maar toch doen, en zo een kleine revolutie in gang zetten. Want dat is wat de poëzie nodig heeft. Hirsch, die zelf al veelvuldig in Amerika optrad, regelde het, en niet zomaar. Het Amerikaanse volk moest maar eens inkijkje krijgen in het uitwaaierende Nederlandse poëzielandschap, in de vooruitstrevende positie van onze dichters, wereldwijd. Ja, grote woorden maar fok it, zegt Hirsch. Wie zit er nou op ons te wachten – nee, ze zitten juist op ons te wachten. Op ons, vijf Nederlandse dichters. Zo zijn we aan een tafels in het Deutsches Haus op het terrein van de Columbia University terug te vinden. Er schuift een meisje aan bij de tafel, een studente Nederlands, en nog eentje, en nog een jongen – en dat bij elke dichter. Ze hebben vellen in hun handen met driftige krabbels. Ze willen weten wat ik bedoel, bijna bij elke zin, en houden vast. Wat bedoel ik met het gedicht Keukentafel, ze denken dat het gaat over de bekrompen wereld van de Keukentafel, dat de Keukentafel de moeizame oost-west-verhoudingen duidt – ja wat bedoel ik eigenlijk? Gewoon een keukentafel, met een paar vrienden eraan, pratend.
De teleurstelling op de studentengezichten is groter dan een keukentafel. Dan zitten vier dudes om me heen, baseballpetjes andersom, giegelend om mijn muziekpoëzie over the Roots of over Tom Waits. Hey man, zegt opeens de snelste prater, ken je Singer Bob? Je weet wel, die gozer uit Nederland. Deze is toch heel beroemd bij jullie, die Singer Bob? Hij pakt zijn iPhone, en toont een foto van Singer Bob: een dikke blonde versie van Dreetje Hazes. Do you Dutch really like this? Hihihihi, ze doen het alle vier. De zaal van het Deutsches Haus is vol als Lucas Hirsch, de zaak op scherp zet: Nederland is een land waar je in een voetbalstadion mag zeggen dat joden vergast moeten worden, omdat het sport is. Boem! Hélène Gelens praat zacht, bijna fluisterend, maar het publiek lijkt in haar mond te willen klimmen, als ze als een jazzpianist bijna improviserend een klok imiteert, bijgestaan door twee stemmen. De sjamanistische intense poëzievoordracht van Erik Jan Harmens, de eerste slampoetrykampioen van Nederland, die met het woord kuttraan het Amerikaanse luchtruim verrijkt. Joost Zwagerman die fotografe Rineke Dijkstra en de 17e eeuwse Nederlandse kunst in gedichten uitstrooit, en dat de hele tour lang zou doen, en zo op meeslepende manier kunst en poëzie aan elkaar vastketent.
****
Ik sta in de bibliotheek in Pittsburgh, en de zaal stroomt vol. Aan de overkant zie ik een Pizza Hut en de Kentucky Fried Chicken, en iets verderop komen drie rivieren bij elkaar en is er het stadion van de Pittsburgh Pirates. Volgens barman George van de Café Monterey in Montereystreet een nachtmerrie van een club, hij heeft gelijk, zeker rond sluitingstijd. Henri – Henri Reese zit in de hoek, met een laptop op zijn schoot. Hij is een voormalige CEO van een marketingbedrijf met vijfduizend werknemers die op een dag de boel verkocht, en nu mijn dj van de avond is. Bij elk muziekgedicht laat hij glunderend tien seconden muziek horen. In een steeg aan de duistere kant van Pittsburgh – Sampsonia Way- heeft Henri samen met zijn vrouw ‘a little funky place’ gecreëerd, hun City of Asylum, waar wij zijn ondergebracht. Hier zijn house of poems neergezet, voormalige krotten die opgelapt werden tot schuiladressen voor dichters en schrijvers van over de wereld. Uit dank kalkte de Chinese dichter Huang Xiang een gedicht op de gevel van het huis, net als de Nigeriaanse grootheid Wole Soyinka een gedicht aan een huis wijdde Op een ander onderkomen staat in grote letters Just Be Good, en een grote gekleurde veiligheidsspeld, verwijzend naar de Pittsburghse zwerver die iedereen in de stad een veiligheidsspeld toestopte en ze vermaande toch zich vooral goed te gedragen. Dat de steeg nooit zijn ruigheid verloor, en niet alleen een zoemplaats is voor dichters, bleek wel uit de schietpartij, drie jaar geleden. Toen werd om de hoek een postbode neergeschoten, en kon een voor politiek geweld gevluchte dichter uit El Salvador een spervuur van drugshandelaren net ontwijken. Henri Reese wil alles met zijn project aan elkaar knopen: poezië, rechtvaardigheid, beeldende kunst, gemeenschapszin, jazz, betrokkenheid bij de wereld en goed eten. Onder het motto: we are gonna conquer – we gaan veroveren. Nu op deze avond zijn Gelens, Zwagerman, Harmens en Hirsch ieder afzonderlijk in huiskamers aan het voordragen, bijgestaan door muzikanten. Wow hangt in de lucht, als ik in de door zes tl-buizen verlichte bibliotheek, om me heen kijk in de volgepakte zaal. Een gezin uit Culemborg is aangeschoven. De man is door Philips in deze contreien geplaatst, en zijn vrouw en twee zoontjes heeft hij meegenomen. Iets verderop zit de beroemdste dichter van Pittsburgh, de nu 71-jarige Toi Derriotte te glimmen. En er is een blonde vrouw die je niks hoeft te vertellen over Nederland, want ze was twee jaar geleden twee maanden lang bij haar in Kerkrade gestationeerde broer. Een damesleesclub is bijna in zijn geheel komen op dagen. Ze kijkend naar het 45toeren plaatje dat ik ze toon, om uit te leggen wat een uitloopgroef is, en dat daar soms geheime boodschappen in werden achtergelaten, en dat ik daar een hele bundel over heb gemaakt: over boodschappen in de vorm van gedichten in de Uitloopgroef.
Flashhhh.
Als het klaar is, duwt Henry me in zijn familieauto, op weg naar de Allegheny Unitarian Universalist Church, een kerk waar je ook je fiets kan laten zegenen. Het is in een straat met Victoriaanse knotsekneuzen huizen, waar Hitchcock graag de film Psycho had opgenomen, en sjieke hoerenkotten het ideale onderkomen zou zijn. Alle literaire woonkamers zijn leeggelopen, hier is het eindspel, in deze met honderden mensen gevulde kerk, en mogen we nog een keer voorlezen, en wordt er wederom muziek gespeeld. Een Argentijnse zangeres, die even daarvoor Astor Piazzolla’s Adios Nonino zingt , zonder daarbij de traan van Maxima in het vizier te hebben, duwt a capella een gedicht van Harmens zomaar de wolken in. *** Ik ben op een highschool in Pittsburgh, aangegaapt door een stelletje brugpiepers, die begaan zijn met creative writing. Later zouden we op de ruimhartig gelambriseerde zaal in een gebouw van de University Chatham voordragen, een universiteitsterrein dat eruit ziet als een gemeente in het Gooi. Er liggen een door de lerares gemaakte bundel met daarin onze gedichten, op deze highschool. Een dikkige zwarte jongen, in een te ruim shirt, en een te ruime broek, had daar wat over te zeggen, zij het dat hij dat eerst niet durfde. Hij had gezien dat ik een gedicht had gemaakt over het nummer The Seed 2.0 van the Roots, dat vooral gaat over drummer Questlove, en zijn funky Afro, en zijn krankzinnig gevoel voor ritme Hij heet dus Ahmir - Ahmir Allen, de jongen, dezelfde voornaam als de drummer die eigenlijk Ahmir Thompson heet. Die vernoeming was een idee geweest van zijn moeder, die hij als een soort groupie van the Roots beschrijft. En zijn vader, wat vond die ervan? Dat weet hij niet, zoals hij ook niet weet van welke muziek zijn vader houdt. Zijn vader woont ergens anders. Als na de dichters, de klas ook het podium mag pakken, overwint Ahmir zijn schroom. Sloffend loopt hij naar voren, krabt op zijn hoofd, en leest langzaam voor, een gedicht geïnspireerd op een landschap van Pieter Brueghel.
I hear a drip. I hear more Drips. I go insane Because I can’t stop Hearing drips.
Hij sloft terug naar zijn plaats, en schudt zijn hoofd. Onder de tafel balt hij zijn vuisten, alsof hij niet kan geloven dat hij het echt gedaan heeft, een gedicht voorgedragen. Bij het verlaten van de klas vertelt dat het fijn is dat zijn vader sinds kort conciërge is op school: hij doet repareerklussen en maakt schoon. Zo ziet hij zijn vader bijna elke dag. En ja, hij zou graag een dichter willen worden. Dan kom je tenminste nog eens ergens.