zaterdag, juni 25, 2011

De dag dat ik naar de Arctic Monkeys ging

John is een baas! Zijn nieuwe boek is de bom en ik ben fan! Zo ook De Volkskrant en oh ja, The Giant Tiger Hooch speelt in Dwaze Zaken vanavond, kom kijken! Nieuwe plaat!

De dag dat ik naar de Arctic Monkeys ging

Voorbeschouwing Muziek

Donderdag treden de Arctic Monkeys op. John Schoorl over de opwinding vooraf fragment uit zijn pasverschenen boek.

Op de dag dat ik naar de Arctic Monkeys ging, achter-volgden twee katten elkaar over de dijk. Een reiger liet met een slingerende beweging een levende paling in zijn keel zakken. Er klonken geluiden, er waren bewegingen, en die waren er niet zomaar. De buurvrouw lapte de ramen en zou het nooit te weten komen, net als de pompbediende, de brugwachter, de visboer en de gepen-sioneerde slager.

Niemand wist wat er ging gebeuren, deze dag. Ze waren er niet bij, waren ergens anders, en hadden er ook niet bij gekund. Ze konden niet weten dat er een hek zou worden opengemaakt. We zouden naar binnen stromen. Ergens binnen in ons rammelde een fanfareorkest er een kwieke avondmars uit.

Het was de dag dat ik naar de Arctic Monkeys ging, naar vier snotjongens uit High Green, Sheffield.

Het was maandag 27 februari 2006. Ik ging naar De Melkweg. Ik moest er naartoe, omdat er wat aan de hand was. Ik moest er naartoe omdat er als muziekliefhebber geen weg meer terug was, er was een NIEUW bandje. Ze hadden één single I Bet You Look Good On The Dance-floor en die had ik gekocht, terwijl ik nooit singles koop. Die single was héél goed.

Ik dacht aan die zin van Jonathan Richman, bekend ge-worden met zijn Modern Lovers: How in the world were they making that sound? Bij hem ging het over The Vel-vet Underground, maar de vraag was raak: Waar kwam de sound van de Arctic Monkeys vandaan?

Uit Sheffield dus, en die snotjongens waren verknocht aan hun eigen Northness, hun Noord-Engelse ziel. In de jaren tachtig hadden ze in Sheffield bliep-bliep-bandjes (Human League, Heaven 17), tien jaar later Britpoppers als Jarvis Cocker (Pulp) en nu nog Richard Hawley ('de Sheffield Sinatra'), met zijn melancholie van natgere-gende kermisavonden.

Er was die dekselse 20-jarige voorman Alex Turner, een bedeesd, pukkelig scharminkel met het kapsel van een 8-jarige die net uit zijn bed komt. Hij snerpte en kauwde in Yorkshire-dialect. De teksten, daar was ook iets mee aan de hand, want wat zoekt zo'n gast tekstueel gezien in het hoerencircuit, of waarom gebruikt hij slang?
Hij had Alan Sillitoe in zijn vizier, de Engelse Ernest Hemmingway, met zijn rauwe realisme van de arbei-dersklasse. Uit de verfilming van het debuut van Sillitoe haalde hij de titel van het debuut van de Arctic Monkeys, The Dreamer. Zijn leraar Engels had 'm een duwtje gegeven naar de literatuur, en zo kwam hij terecht bij de Engelse punkdichter John Cooper Clarke.

Turners vader speelde saxofoon, gaf muziekles op een middelbare school en was een echte jazzcat. Zelf luis-terde hij als kind naar hip-hop, maar raakte al snel verslingerd aan gitaarbands als Oasis en The Strokes. Was het goed, op de dag dat ik naar de Arctic Monkeys ging? Het was héél goed.
Nog bijzonderheden? De bassist droeg een shirt van Sheffield United, terwijl de andere bandleden fans zijn van Sheffield Wednesday.

Het is bijna 23 juni 2011.
Het is bijna de dag dat ik wéér naar de Arctic Monkeys ga, nu in Paradiso.
Het is vijf jaar muziek verder, er is nog meer opwinding bijgekomen, die er bij moest komen. Ver vooruit liep een zwarte Amerikaan die José James heet, met een geweldig debuut: Winterwind. Het was zingjazz, van het zeldzame overtuigende soort. Voorts was er The Soft Pack, met gave rammelpop. Ik zag The Black Keys wow. Een jam-sessie van The Roots bizar goed. De kekke nederfunk van The Lefties Soul Connection, de beloftes van The Hype en de Giant Tiger Hooch. En toch weer de Arctic Monkeys, die in vijf jaar op volle snelheid onstuitbaar doorkachelden. Niet langer heb ik alleen die eerste single van de band, ze hebben een eigen hoek(je) in de muziek-kast. Na het debuut kwamen er in noodtempo drie cd's bij, waarvan de laatste net uit is: Suck it and See.

Maar de Arctic Monkeys is vooral Alex Turner ge-worden. Want het voormalig scharminkel werkte aan zijn eigen muzikale loopbaan, en kreeg stevige verkering met topmodel en televisiepresentatrice Alexa Chung. Turner maakte eigenhandig een sfeervolle soundtrack voor de film Submarine, en vormde met gabber Miles Kane The Last Shadow Puppets wat klonk als een wonderlijke reis door de popgeschiedenis: ingenieuze blanke huppelpop met strijkers, galm en samenzang. Net als met de Arctic Monkeys was het weer de eerste single die het 'm deed: Standing Next To Me.
Je kunt eigenlijk zeggen dat de dag dat ik weer naar de Arctic Monkeys ga, de dag is geworden dat ik naar Alex Turner ga.