donderdag, januari 29, 2009

Nominaties Stadsdichter Haarlem

De Gemeente Haarlem en ome Moormann (ex-Stadsdichter) zijn eruit! De volgende kandidaten zijn voorgedragen om het Stadsdichterschap op zich te nemen. U kunt allen stemmen. Persoonlijk had ik het leuk gevonden als bijvoorbeeld Bas Belleman was genomineerd, of P.M. de Lefre of John Schoorl... (er gingen geruchten dat Menno W. was gevraagd maar nee heeft gezegd....) of ik natuurlijk. Had dan wel nee gezegd, maar genomineerd worden willen we allemaal, eerlijk is eerlijk! Ik zou tegen u liegen dat ik niet erg teleurgesteld was destijds toen ik niet voor de Buddingh was genomineerd. Maar dat is een ander verhaal. Enfin, leuke kandidaten! Hoewel, wie de neus is Wim Koesen?

Ik ga niet stemmen want ik vind 3 van de 4 kandidaten geschikt en gewoon leuke mensen waar ik goed contact mee heb. Ik wens de kandidaten veel plezier en succes, dan ga ik weer verder met mijn eigen ding: Kleine Revolutie Producties.

Oh ja, 4 maart is er weer gewoon een Word Lounge: Een kleine Revolutie met o.a. Jan Baeke en Rozalie Hirs..... Niet de kleinste namen in dichtersland, maar wel gratis voor u in het Patronaat!

1. Ampzinggenootschap

Al lang voordat het stadsdichterschap in 1993 in Venlo werd herontdekt, kende Haarlem in 1628 haar eigen stadsdichter: Samuel Ampzing. Nu, 376 jaar na zijn dood, staat Ampzing te trappelen om zijn ambt weer te bekleden. Wat ligt meer voor de hand dan hem zijn oude functie terug te geven?
Ampzing bestaat uit Rob van der Linden, Bies van Ede en Joost Mulder – alle drie gepokt en gemazeld in literatuur en poëzie – en Eric J. Coolen, puntdichter en illustrator. Deze vier Ampzingers zijn als geen ander in staat toegankelijke stadspoëzie van hoge kwaliteit te maken. Geen kunst om de kunst, ook geen rijmelarij, maar begrijpelijke gedichten voor iedereen. Ampzing zal de stadsgedichten uitbrengen in gratis stadsdichtkranten.


Met een laatste, onmerkbare zucht
Is de wind gaan liggen

Volmaakt vlak nu toont het Spaarnewater
Op elk adres een tweede huis
Spookachtig naar beneden wijzend
Een omgekeerde stad zonder fundering
Geen houten heipaal die ten hemel wijst
Geen onderwaterhypotheekschuld
Geen onderwaterkind dat om zijn moeder krijst

Ik zou een wandeling willen maken
In Datsenraaps, de averechtse Spaarnestad
Zou ik op dode burgers stuiten,
Verkleumd en tot het bot toe nat?
De holle hamerslagen horen
Van de kuiper op het nog lege vat?

De wind keert terug
En legt mijn droom in duigen

2. Gerrie Hondius

Gerrie Hondius houdt van taal en voelt liefde voor Haarlem. Haar inspiratie vindt ze altijd dicht bij huis en ze werkt graag in opdracht. Hoewel blij verrast door deze nominatie, begrijpt ze ook hoe de gemeente bij haar terechtkomt: gooi er een kwartje in het en het dicht. Gooi er drieduizend euro in en noem het een stadsdichter. Misschien minder poëtisch, maar humor moet mogen. Oók in poëzie.


Gluur je door een raam naar binnen
Zie je opeens
Een vergezicht
Vol klotsende golven
Mistflarden, zandstranden
De wind blaast de vlakte
Nog vlakker
En ginds achter het duin
Schuilt in een huisje
Een meisje met een vlakgom
Ze tekent een leeg vel
Op haar papier
De kaarsenvlam wordt kleiner
En ze wacht
Maar op wad
Een schim schuift aan haar vreemde
Venster voorbij
En werpt een schaduw
Op haar blad
Die haar doet verlangen
Naar een café vol dichters
In de stad

3. Sylvia Hubers

Dichten is haar levensvervulling. Haarlem is haar stad waar ze het meest van houdt. Het stadsdichterschap brengt deze dingen bij elkaar.


We moeten iets kleins doen
We moeten iets kleins doen.
Een klein wonder
moeten we verrichten.
Eén klein persoonlijk wonder,
één wonder moeten we verrichten
per persoon.
En dan, als iedereen dat gedaan heeft,
één klein wonder verrichten,
dan tellen we de wonderen
die onstaan zijn bij elkaar op.
En dan, dan hebben we
een groot wonder.
Kijk: zo simpel zit nu eenmaal
een groot wonder in elkaar

4. Wim Koesen

Wim Koesen schreef meer dan 35 boeken, waaronder romans en populairwetenschappelijke non-fictie en columns. Hij schreef bovendien het satirische “Dichter worden in één uur” en hij maakte prozagedichten bij “Cuba, een hommage”, een recent boek van Corneille. Bij de uitgever ligt zijn laatste werk ‘Rozen voor een tuinkabouter’, een pleidooi voor meer kitsch als tegenwicht voor de soms elitaire ‘erkende’ poëzie. Het Haarlems Dagblad en het drankmerk Campari huurden hem geregeld in als gelegenheidsverzenmaker.

Ach, het is het Spaarne maar
De zon schaatst juichend over het Spaarne
Aan de oever roerloos
IJswitte zwanen
Als dubbelgeparkeerde auto’s
Daaronder zwarte gezichten
bevroren in het krassende ijs
van eeuwen pest, ophanging, verbranding en verdrinking
Toen Haarlem nog een geestnederzetting was
En het Spaarne verwerd tot een stromend droomloos spook
Maar nu ligt de tijd stil als glas
Naast de stille zwanen
En schaatsen nieuwe generaties
Luidruchtig als de eerste dag
Niet gehinderd door welk verleden ook
Over drie centimeter extase
Halverwege vogel en engel
Een meisje nadert de waterkant
Grijpt zich vast aan de wal
Ze zakt door het ijs
Dat haar obsceen betast
Ze krabbelt overeind
De dode geesten trekken zich terug
Terwijl het wak zich zwijgend sluit.
Op mijn vraag: “Was je bang”?
Lacht ze, bevroren tranen wegwissend:
“Ach, het is het Spaarne maar.”