maandag, mei 12, 2008

Mag ik heel even meneer Fagel?

Grappig, als reactie op mijn commentaar op het kinderachtige gedrag van de heer Fagel las ik het volgende stukje tekst op zijn blog: (heb inderdaad een stukje geknipt en geplakt, voor het hele stuk klik hier voordat er weer geroepen wordt dat alles uit zijn verband wordt getrokken).

Welja. Nu krijg ik weer op mijn kop van Lucas Hirsch. Mondeling had ik al diverse reacties gekregen op mijn post over de recensie van Philip Hoorne in Poëziekrant. Nu zal ik ook maar even in het openbaar melden - voor wat het waard is - dat die post inderdaad niet netjes was en dat ik hem inmiddels (alweer een tijdje geleden) van dit blog heb verwijderd.

Waar gaat dit over? Niet iedereen hoeft, zoals Hirsch terecht stelt, mijn bundel goed te vinden – dat zou ook onmogelijk zijn. Maar van een recensent zou men ten minste mogen verwachten dat deze zijn recensie schrijft op basis van de inhoud. Dit is een punt dat me ook als recensent aan het hart gaat.

Dit nu leek me niet het geval in de recensie van Philip Hoorne in het maartnummer van Poëziekrant. Daarin wordt in een inderdaad grappig geschreven stuk aan de hand van de flaptekst en twee gedichten een nogal karikaturaal beeld van de bundel geschetst en afgekeurd. Het is teleurstellend te merken dat juist een recensent van een mooi blad als Poëziekrant zich niet in de bundel heeft verdiept, of heeft willen verdiepen.


Dus denk ik dan meteen; ikke niet snappe, u dus boos zijn over manier van commentaar schrijven a.d.h.v. hetgeen er op de flaptekst staat geprint?

Ah zo dus:

Met publicaties in vrijwel elk zichzelf respecterend literair tijdschrift was het een kwestie van tijd voordat het debuut van Lucas Hirsch zou verschijnen. De weerbarstige bundel Familie gebiedt is inmiddels bij De Arbeiderspers verschenen, met een stemmige zwartwit familiefoto op de voorkant en, om in de stemming te blijven, een opdracht aan het kennelijke familielid Georg Paul Hirsch (hoewel het, merkwaardig genoeg, geschreven is ‘voor Ayesha’).

...Hirsch blijkt bovendien een dichter die op momenten dat de lezer behoefte krijgt aan verheldering schimmige bijvoeglijk naamwoorden gaat gebruiken, zoals ‘lobbig’, ‘kleiig idioom’, het ‘plompe butsen’. De poëzie krijgt daardoor iets van de enorme zonnebril die de dichter op zijn achterflap draagt: het grootste deel van zijn gezicht gaat erachter verborgen...

...Dat is niet erg, ik heb er niets op tegen als een dichter zijn zonnebril ophoudt. Maar doe dan niet alsof de lezer elk moment een steen op zijn hoofd kan krijgen. Een steen van taal doet geen pijn...


Hele tekst is hier te lezen.

Enfin, I rest my case.

(ps. voordat u gaat mekkeren, ik vond dit een goede recensie).