maandag, mei 26, 2008

Erik Jan Harmens bespreekt Maurice Buehler

Erik Jan Harmens besprak op 24 mei j.l. de nieuwe bundel van Maurice Buehler en dat doet 'ie gewoon lekker, heel lekker.


24 mei, 2008

Schoept-spoelt-schopt: dat klinkt als muziek;

Poëzie: Erik Jan Harmens


Maurice Buehler speelt met de taal, zonder dat het bedacht aan doet. Klanken én betekenissen buitelen in zijn poëzie over elkaar heen.

Als iemand u op straat aanhoudt en u deze vraag stelt: "Klopt kogelwond de duffeljas los van de hartslag?", want antwoordt u hem dan? Het is een regel uit de tweede dichtbundel van Maurice Buehler, 'Door het oog van de os', de opvolger van het in 2004 verschenen 'Grasaap te water'. In die debuutbundel stelde Buehler ook al van die bizarre vragen: "Adelt een haan het asfalt / als hij zijn poten / over het wegdek schraapt?"

Buehler schrijft uiterst merkwaardige poëzie, maar dat is op zichzelf nog geen verdienste. Wat wél een verdienste is, is dat de gedichten een groots taalspel tonen zonder dat het bedacht of geveinsd interessant wordt. Zoals in deze strandscène in het openingsgedicht: "In de branding schoept een man / uit zijn broek / spoelt een bint op de vloed // schopt een bal naar het doel." Schoepen is een ander woord voor stelen, derhalve is het hier niet zo dat een badgast uit zijn tanga scheurt maar zijn we getuige van een zakkenroller in actie. Bint is een synoniem voor een stuk wrakhout, dat hier aanspoelt. Maar wat vooral belangrijk is, is de klanken-kanonnade. De oe-klanken, de opeenvolging schoept-spoelt-schopt. Taal is hier eerder een muziekstuk dan iets letterlijk betekenisvols.

'Door het oog van de os' staat vol met dergelijke exercities. "Broer doet zo blootsvoets / de loop van de boog / tot het wiel / stookt nooit op kolen." Of: "Hier bij de zilvervissen slinkt / mijn dag tot een stip / nu je weer lacht om de tic'. En de mooiste: "Stropop stropt zijn das jouw trots / een dure jas hangt / als een stoplap voor het gat".

Die laatste is zo mooi omdat er van alles aan de hand is, even los van de taalvirtuositeit. 'Stropop' kan een verbas-tering zijn van 'schrokop' (gulzigaard), maar klinkt ook als 'slok-op', en blikt ook vooruit naar het latere 'stoplap'. En dat de das wordt gelabeld als 'jouw trots' kan heel goed betekenen dat de ik-figuur enkel zakelijk gekleed gaat om iemand anders te plezieren. En een 'strop' kan een fiasco uitdrukken, maar ook een touw om de nek van een vermeende mis-dadiger, en stropers en stroperige mensen komen ook nog om de hoek kijken.

En dan is het nog niet klaar, want pas later bedenk je dat er niet strop-op staat, maar stro-pop, ofwel een stroman, iemand zonder wil of mening, een passieve dwaas die in jasjedasje gekleed gaat omdat de vermaledijde etiketten dat voorschrijven. En nog weer later sla je je hand voor je mond, omdat je empathieloos bent voorbijgegaan aan het feit dat de man een dure jas voor het gat in zijn kleding houdt. Hoe komt dat gat daar? Waarom blijft hij er mee rond lopen, waarom verkleedt hij zich niet? Je weet het antwoord niet, maar beseft dat dit avontuur is opgebouwd uit niet meer dan zestien woorden.

In het gedicht 'Nergens klinkt', dat hieronder afgedrukt staat, is iets anders aan de hand. Ik durf de weddenschap wel aan dat we in een doorzonwoning terecht zijn gekomen, waar een huisvrouw, nadat de kinderen de deur uit zijn, zichzelf vrij heeft gegeven teneinde wat te zonnebaden op haar nieuwe bank.
De vaststelling dat nergens een schot klinkt, is natuurlijk meesterlijk, want de gedachte aan het horen van een schot was in het geheel niet bij de lezer opgekomen. Nu is er ineens onrust, zoals wanneer je zomaar 'geen paniek' roept in een overvolle lift.

Maar wat vooral mooi is, en iets dat je moet weten, is dat de mens Maurice Buehler een hoorstoornis heeft. Nor-maal gesproken is de fysieke gesteldheid van een schrijver een privé-aangelegenheid, maar bij dit gedicht is het infor-matie die het gedicht een diepere lading geeft. Iemand die slechts beperkt hoort, ziet mensen praten maar hoort mur-melen. Ziet mensen lachen maar hoort wat gepiep en gekraak. Het janken en grommen van de hond in dit gedicht is een veronderstelling, de verteller ziet enkel het trekken met de poten en verzint de rest er zelf bij. Het 'nergens klinkt' wordt ineens een hevig invoelbare vaststelling.

Zoals ook die vragen aan het begin van deze bespreking ineens helder worden. 'Klopt kogelwond de duffeljas los van de hartslag?' 'Adelt een haan het asfalt/als hij zijn poten/over het wegdek schraapt?' Dit is helemaal geen cryptische poëzie. Dit is het relaas van een man die de wereld om hem heen niet goed heeft verstaan.


NOTES: Maurice Buehler: Door het oog van de os. Contact, Amsterdam. ISBN 9789025425883; 44 blz. (E)19,90;


Copyright 2008 PCM Uitgevers B.V.
All Rights Reserved