donderdag, mei 15, 2008

Een stropop stropt zijn das

Piet Gerbrandy besprak in de Volkskrant van 8 mei j.l. de nieuwe bundel van Maurice Buehler. Ik heb de bundel van Maurice Buehler rond lijstje-stijd als beste bundel van 2007 uitgeroepen. Maar ach, wie ben ik. Nou, ik ben zo brutaal om te roepen dat u deze bundel absoluut moet lezen als u iets van poëzie denkt te weten. KOPEN DUS DIE BUNDEL!!!


Een stropop stropt zijn das

Piet Gerbrandy


De lezer wordt uitgenodigd de geheimen van de taal te onderzoeken in een spel dat even ernstig als onbevangen is, in de nieuwe bundel van Maurice Buehler, die ambachtelijk en broeierig dicht.

Menige dichter heeft zich beklaagd over het feit dat woorden betekenis dragen. Kon je maar te werk gaan als een componist, die slechts rekening heeft te houden met klanken, wat zou je dan niet een schitterende sonates in taal kunnen construeren!

Nu we echter opgezadeld zitten met betekenissen, lijkt het de beste strategie om van de nood een deugd te maken. Je kunt schilderen met klinkers, medeklinkers en ritme, maar je zet ze in een constellatie die net voldoende betekenis genereert om niet in wartaal te ontaarden, maar wel zo dat de betekenis niet te veel afleidt van de fysieke eigenschappen van de taal.

Maurice Buehler (1978) zoekt naar dat precaire evenwicht. Midden in zijn tweede bundel staat een korte reeks met de titel 'Brasilia', die zo begint:

Nu moet verzwegen
hoe het bericht zich vernielt
de kinderkoppenmars na bededagen.


Dit gedicht is een bericht dat zichzelf om zeep helpt in een poging te verzwijgen wat het zegt, maar wanneer klank en ritme in de laatste regel ingrijpen om toch nog iets van het bericht te redden, wordt supergeconcentreerd een beeld opgeroepen van straatklinkers, rollende koppen, een kinderrevolutie en katholieke devotie. De reeks eindigt met een poëticaal statement:

Verspil er de mooiste zin die niets helder maakt
een zwijgzaam kind plakt er een kijkdoos van
hier links sliep een man die ik dinsdag noemde
zijn blik trok de sterren van het doodskleed af.


De lezer wordt uitgenodigd de geheimen van de taal te onderzoeken in een spel dat even ernstig als onbevangen is. Links van de kijkdoos ligt een man met een wonderlijke naam te slapen. Heeft hij geprobeerd de dood te tarten door hem van zijn hemelse schittering te ontdoen? Het beeld is suggestief zonder dat je het zou kunnen uittekenen.

Belangrijker is het spel met rijmklanken (zin, kind, links, dinsdag; zwijg- en kijk-, -doos en doods-), waardoor alle elementen met elkaar vervloeien. Dit is contrapunt in taal.

De meeste gedichten zijn langer, maar de methode is steeds dezelfde. Of de dichter nu een beeld als uitgangspunt heeft genomen of een constellatie van taalklanken, hij brengt ze op het papier aan zoals een impressionist de kleuren op zijn doek, en laat vervolgens de wetten van rijm en ritme hun gang gaan. 'Fantastische handen' begint met een vraag: 'En als fijn zand aan een half afgekloven appel plakt?' De laatste vier woorden plakken aan elkaar als het zand aan de appel, als je ze uitspreekt voel je de zandkorrels tussen je tanden knersen.

In de tweede strofe komt er geen antwoord op de vraag, want 'kweetniet lacht zich een breuk een overhoring haalt/ pakjes schoolmelk uit de koelkast'. Maakt de eerste zin deel uit van een overhoring? Is er sprake van een kind dat geen zin heeft zich te concentreren?

Kweetniet 'is er niet helemaal bij': het gedicht thematiseert zijn eigen onwil to the point te komen. De laatste regel laat zien dat we geen stap verder zijn gekomen, want ze is identiek aan de eerste, zij het dat het vraagteken nu vervan-gen is door een punt.

Veel van Buehlers gedichten roepen een sfeer van dorpse ambachtelijkheid, landelijke broeierigheid en primitieve gevaren op. Een bedompt en seksueel geladen gedicht waarin een lading bloemkolen over de klinkers rolt, heeft een intrigerend refrein: 'Aftands draait kamrad / knarst en spant / de moer totdat het knapt'.

In 'Hondsdagen' stampt een 'pisgriet' door de plassen, in 'Wreef' gaat iemand 'met vingers nat / een warme onschuld in': dat lijken ingrediënten voor een pornografische streekroman.

In het laatste gedicht stropt een stropop zijn das, terwijl zijn dure jas 'als een stoplap voor het gat' hangt. Stropop, strop en stoplap: de klanken dichten gaten die ze zelf oproepen, het zijn stoplappen om regels te vullen die zonder hen niet zouden bestaan. Hier, zegt de slotstrofe, 'staat de dag naar binnen open', alsof het gedicht een vierdimensionale ruimte is die de lezer op eigen risico mag betreden.
De dichter lijkt een beleefde portier, wiens stem wegsterft zodra je aan zijn uitnodiging gehoor geeft: 'zo klinkt een doffer/ een stipt ik groet u elke morgen.' Wie durft dit spookhuis binnen te gaan?


Copyright 2008 PCM Uitgevers B.V.
All Rights Reserved