zondag, juli 22, 2007

Recensie Trouw 27 januari 2007

Toch grappig. Ik herlas deze week een aantal recensies van mijn debuutbundel 'familie gebiedt'. Er zijn er een stuk of 9 geschreven, waarvan er een aantal minder positief waren, en een aantal positief. Prima, toch? Wel vind ik het jammer dat de recensenten hun huiswerk niet helemaal doen wat betreft de achtergrond van de dichter. Hoort er ook bij, nietwaar? Ach leest u zelf maar:

ps.1 Voor de goede orde; ik ben geboren in Hilversum, woonde 18 jaar in Huizen en zat in Bussum op school. Ik vertrok in 1994 naar Amsterdam en woon sinds eind 2005 in Haarlem.

ps.2 Hoewel ik in het verleden graag aan slams meedeed, er zelfs 1 won in Utrecht en er heb leren voordragen, zie ik mezelf niet als slammer. (De slam-helden van mijn tijd waren A.C.G. Vianen, Peter M. Van der Linden, Tom Zinger, Mohs Volke en Gijs ter Haar.) De recensent blijkbaar wel, hij vergeet wel te vermelden dat mijn werk op dat moment ook in tijdschriften als De Revisor, Krakatau, Revolver en Parmentier verschenen. Het is ook allemaal zo verwarrend...


Trouw

January 27, 2007
zaterdag

Hoe kleiig is zo'n bedstee?
Meligheid nekt Zeeuwse dichter


Peter de Boer

SAMENVATTING:

Gaat de debuutbundel van Lucas Hirsch over familiebanden? Het lijkt er even
op, maar door allerlei flauwe, modieuze geintjes raakt dat thema snel uit zicht.
Jammer, want Hirsch kán wel wat.

VOLLEDIGE TEKST:

De debuutbundel van Lucas Hirsch (1975) heeft een opmerkelijke titel: familie
gebiedt. Natuurlijk speelt hier direct de associatie 'familiegebied' mee. De
familie gebiedt: zij schrijft ons een eendrachtig domein voor en bepaalt hoe dat
zich tot de wereld verhoudt. Een heuse hoeksteen dus, en volgens de titels van
sommige gedichten ('wat er zich op walcheren voordeed'; 'in zeeuws-vlaanderen')
van mogelijk streng Zeeuwse snit.

Net als in de titels zijn ook in de gedichten zelf hoofdletters geheel
afwezig. Hetzelfde geldt voor de leestekens. Voorts: geen noemenswaardig
eindrijm, regels van zeer ongelijke lengte en afwisselend korte en lange
gedichten. Tegenover de strenge titel van de bundel staat derhalve de vrijheid
van het ongebonden vers. Er zijn dichters genoeg die bij die ongebondenheid
welvaren.

Geldt dat ook voor Hirsch? Hij begint in elk geval sterk met het driedelige
titelgedicht 'familie gebiedt': 'zwaai maar even nu het nog kan / je nadert een
gevarenzone // het werkwoord familie gebiedt / er klare taal te spreken // een
goed gebruik in deze negorij'. 'Gevarenzone' en 'negorij' klinken negatief, en
'familie' als werkwoord - een lexicaal unicum - suggereert dat aan de
familieband steeds gewerkt moet blijven worden. Even verderop heet diezelfde
band echter 'gewoonlijk net iets te nauw'. In de rest van het drieluik vernemen
we dat de vader ziek is.

Verder toont Hirsch zich in de volgende (en vele andere) passages gevoelig
voor de onaffe, kromme zinnen en zinsdelen die bij veel hedendaagse jongeren
inmiddels tot maniertje lijkt verheven: 'vader zou dit is geen pijp- / rokend
naar haar pruimende wangen loensen // de loom karnende vrouw weet van niets dan
/ de kans op keelkanker en of een schele'. Wie het verband ziet mag het zeggen.
Hirsch heeft Zeeuwse wortels maar woont thans in Haarlem. Duidelijk is dat
het oude familieverband in terugblik in postmodern perspectief wordt
ge(her)waardeerd.

Het gaat in die eerste afdeling opeens snel. In 'morfine' 'is opa vast met
sterven begonnen', een gedicht later heet vader 'lastdier zielloze man zonder
wil' en blijkt 'moeders' stevig de broek aan te hebben. Even verder vrijt een
'onsympathieke vrouw' die 'in kleiig idioom' haar afkeer betoont van wat
'schraal is / futloos geil'.

Het kleiige van haar woorden zie ik niet in, evenmin als van 'moeders',
'bedstee' of 'de deel', maar de stadse Hirsch vindt het kennelijk al heel wat,
net als 'trekpaard', 'reuzel' en 'modderbuik'. En dat terwijl die woorden toch
zo bijzonder niet zijn (nooit Ter Balkt gelezen zeker).
Hirsch slaagt erin om zijn centrale thema al heel snel uit het oog te
verliezen en uit te waaieren over veel gein en ongein die nogal wat
jongerenpoëzie van nu zo op een vorm van verkeerd cabaret doet lijken. Ouders
komen her en der in zijn bundel nog wel voor, soms in behoorlijke gedichten,
maar voor de rest-- Slappe regels over het meerduidige 'leger', inderdaad niet
alleen een militaire organisatie maar ook de schuilplaats van de haas, melige
geintjes met sms-taal, zichzelf klein maken als 'slappe potsenmaker' maar
intussen een reuzenhoge borst opzetten als postmoderne adhd-komiek van de
razendsnelle én intellectuele witz.

En verder nog die uiterst flauwe 'begin-dichter-op-de-huid-dichter-bij-/het-begin'-regeltjes waarin we opeens iets hoogstaands poëticaals moeten zien ('dichter'!) en dat met 'trilvel' en
'bokkende hengst' uitmondt in de brakkigste vorm van poëtische percussie die een
mens bedenken kan. Leuk voor de bühne, een aanfluiting voor het papier.
En dat terwijl deze modieuze ex-slammer in één gedicht de woorden 'vernuft',
'behendigheid', 'effect' en 'komisch' lanceert, aan zelfkennis ontbreekt het
deze bewuste komediant dus niet. Los van zijn zorgvuldig gecaste
onhebbelijkheden slaagt hij er soms toch in enkele bloedmooie gedichten te
schrijven over bijvoorbeeld zijn doodzieke vader, zoals in het kadergedicht
'kale man'.

Dat gedicht is alleen al vanwege de eerste regel (waarin de kaalheid vaders
haar juist extra 'zwaarwichtig' voelbaar maakt) en de twee slotstrofen goud
waard. Een man die zijn 'te veel aan vader', en zijn te veel aan geleden verlies
in de oorlog in handen van zijn vrouw mag leggen. Had Hirsch op zulke snaren
maar vaker getokkeld!

All Rights Reserved