vrijdag, januari 12, 2007

Poëzie met je poten in de klei

In het Haarlems Dagblad van 11-01-2007 schreef journalist Nuel Gieles de volgende recensie/interview:

Poëzie met je poten in de klei
Haarlemse dichter Lucas Hirsch debuteert met ‘familie gebiedt’.

Door Nuel Gieles

Haarlem – De dichterlijke taal van Lucas Hirsch laat aan poëtisch invoelingsvermogen weinig te wensen over. ‘Familie gebiedt’ heet de debuutbundel, die afgelopen najaar bij de Arbeiderspers verscheen.
Lucas Hirsch won in juni 2005 een poëziewedstrijd bij de Zingende Zaag in café Cicero in de Haarlemse Lange Begijnestraat. Het leverde hem een optreden op bij de 2e Haarlemse Nachten, georganiseerd door stadsdichter George Moormann. Daar merkte ook dichter/publicist Joost Zwagerman de kwaliteit van Hirsch op. Toen hij hem aanbeval bij de uitgever, was dat eigenlijk niet meer nodig, al blijft het een aardig steuntje in de rug als een man van zijn kaliber z’n pen niet ontziet wanneer hij de lezer op de achterzijde van de bundel zijn persoonlijke indruk toevoegt: ,,Familie gebiedt is een streng klinkende titel – en Lucas Hirsch legt ons met dit debuut ook direct iets heel zwaarwegends op, namelijk: zijn talent.’’
Daar is niets mee miszegd. Hirsch gaat bijvoorbeeld willens en wetens zijn eigen duel aan met ‘de tuinman en de dood’. Dat is op zich niet origineel, maar in zijn romantische strijd met hedendaagse taal en huidigheid houdt zijn tekst volledig stand. Dan moet je van goeden huize komen. Elders gaat het van ‘Rookkokers en pandaken’, waarin Hirsch zijn gevoel vangt als hij op een heldere winterdag om zich heen kijkt in de Haarlemse Warmoesstraat, waar hij onverhoeds in een Anton-Pieckparade is beland. Onvolledig citeren mag niet, maar wat rest je als niet het woord maar de ruimte je tekortschiet: ‘op zo’n dag kun je vrouwen in bomen verwachten dandy’s / met ijspegelsikken in bontjasvossen likkebaardend aan het pijpwoud / van rookkokers en pandaken zien huiverenen’.
En neem nou gedichten met titels als ‘vader het is bijltjesdag’ of ‘circulair familieverhaal’. Niet vaak ontmoet je die dichterlijke intensiteit als enkel maar in het titelgedicht ‘familie gebiedt’ de regels voorbijkomen:

er graast een zus
er blaat een zoon

Lucas Hirsch woont van begin 2006 in Haarlem. Hij leerde er een vrouw kennen, en daarna de stad. Voor haar en Haarlem verliet hij zelfs Amsterdam. Haarlemmer, sinds pak ’m beet een jaar. Maar Hirsch’ dichterlijke wortels voeren naar Zeeuws-Vlaanderen, zijn voorouders en naar een ver verleden.
De dichter daar zelf over: ,,Ik heb Duitse, Joodse, Indische achtergronden, maar die ‘etnische alliantie’, daar gaat het in ‘familie gebiedt’ niet om. Het is geen lofzang op m’n ouders. Je kunt ook over hun gebreken schrijven, die je steeds meer en vaker in jezelf terugvindt. Toen ik klein was gingen we altijd naar Dishoek, bij de familie Goedbloed, die daar een boerderij had. In de buurt van Biggekerke op Walcheren. Daar vind ik ook die woorden als ‘de deel’, ‘de meid’, ‘de knecht’, die in mijn gedichten terugkomen. Korte bondige woorden, die passen bij dat land van knol en voederbiet. Je hoort het varken, je weet de zwaarte van de modder aan je laarzen. Het omploegen van het land achter het trekpaard. Dat klinkt heel anders dan ‘Ik ben IT-specialist’. Wat doe je dan helemaal?’’
Natuurlijk gaat het niet om een fragment uit één gedicht. Dat doet tekort aan de beklemming, de onbespreekbaarheid van de thematiek, de onbesprokenheid in familieverband, en de bedruktheid die zeker ook in de poëzie van Lucas Hirsch doorklinken. Wat hij doet met taal getuigt van een oorspronkelijkheid waar je als lezer zomaar jaren op wilt wachten. Alles wat voor je ogen langskomt, voltrekt zich niet in zwaarte, maar veeleer in een zekere mate van gepaster nuchterheid, ondanks de klei die aan de klompen kleeft.
‘Familie gebiedt’ vindt ook in de vormgeving aansluiting bij aardse zaken, al was het alleen maar door de bruine letter, waarvoor de vormgeefster, Lucas’ eveneens dichtende vriendin Ayesha van der Woensel, subtiel gekozen heeft.
Hirsch’ eersteling is opgedragen aan Ayesha, maar bovenal aan zijn grootvader Georg Paul Hirsch. ,,Een overlever van de holocaust, zonder daar anderen mee lastig te vallen. Hij was een zachtmoedig, goed mens. Ondanks zijn verleden altijd toekomstgericht bezig. Dat vind ik zo knap. Dat heeft me wel sturing gegeven in mijn leven’’, zegt Lucas.
Als iets opvalt aan ‘familie gebiedt’ is het wel de directheid van de woorden. Hirsch is, voor je er als lezer erg in hebt, terechtgekomen in een gevoelswereld die je tot dan alleen de jouwe waande. Het lijkt hem haast per ongeluk af te gaan. ,,Ik schrijf niet voor de lezer, maar om mijn omgeving te begrijpen. Ik ben met de poëzie bezig gegaan om te achterhalen waar ik vandaan kom. In het begin staat de moeder centraal. Niet perse mijn moeder. De vaderfiguur komt pas later in beeld. Mensen zeggen wel als ze mijn gedichten lezen: ‘Wat heb jij een rotjeugd gehad.’ Maar dat is niet zo. Integendeel’’.